Nieuw! Het prentenboek van Deirdre Dorsett "De paarse maan"! (Vertaald uit het Engels: The Purple Moon)
Copyright © Deirdre Dorsett 2002
Koop dit ebook van www.absolute1.net snel en veilig via Paypal door de witte knop aan te klikken

of bestel per email. Plaats a.u.b. de naam van het gewenste boek in de regel van onderwerp of in de tekst van het bericht. Bedankt!

Bestellingen




English absolute1.net (Engelse absolute1.net) with free ebooks
onze ebook-winkel         artikelen            afbeeldingen
email hier om lid te worden van de ebookclub

de Transformator voor kinderen bij www.trans4mator.nl
dieet, voeding en gezondheid           vegetarische recepten            spiritueel tuinieren
inspirerende Engelse songteksten            metafysische Engelse gedichten
boek beschrijvingen en recensies           tastbare boeken kopen           interessante sites
Voor de kinderen
de kinderpagina met sprookjes, verhalen, elfjes en kleurplaten

je eigen huisdier op het net
plaatjes van feeŽn en elfjes
meer plaatjes van feeen en elfen
Japanse en oosterse elfen en engelen van ami angelis
diverse kleurplaten.
Harry Potter kleurplaten
ballerina elf
kleurplaten van bloemenkinderen
Margareth Lee - het verhaal van Wonder, de kat die geen muizen wilde vangen

Oscar Wilde - De gelukkige prins
Margery Williams - Het fluwelen konijn
Margareth Lee's versie van 'De drie wensen'
Jan en de bonestaak
De echte prinses




Vertaling door Yvonne LiewOn
Copyright Het fluwelen konijn van margery williams2002 absolute1.net


Er was eens een fluwelen konijn en in het begin was hij werkelijk prachtig. Hij was dik en gevuld, zoals een konijn behoort te zijn; zijn vel was wit en bruin gespikkeld, hij had echte snorharen van draad, en zijn oren waren getekend met roze . . . Op Kerstochtend, toen hij bovenin de sok van de Jongen geschoven zat, met een takje hulst tussen zijn pootjes, zag dat er schattig uit.
Er zaten andere dingen in de sok, noten en sinaasappelen en een speelgoedmachine, en chocolade amandelen en een muisvormige klok, maar het Konijn was toch wel het beste van alles. Minstens twee uur hield de Jongen van hem, en toen kwamen Tantes en Ooms dineren, en er klonk een sterk geritsel van pakpapier en het uitpakken van pakjes, en door alle opwinding van het kijken naar al die nieuwe cadeaus werd het Fluwelen Konijn vergeten.
Lange tijd leefde hij in de speelgoedkast of op de vloer van de kinderkamer, en niemand dacht eigenlijk nog veel aan hem. Hij was van nature verlegen, en omdat hij slechts van katoenfluweel was gemaakt, waren de andere duurdere speelgoedjes snobbig tegen hem. De mechanische speelgoedjes voelden zich erg superieur, en keken neer op alle anderen, ze zaten vol moderne ideeën en deden alsof ze echt waren. De modelboot, die twee seizoenen had overleefd en het grootste deel van zijn verf kwijt was geraakt, had hun air overgenomen en liet zelden of nooit een kans voorbijgaan om in technische termen op te scheppen over zijn uitrusting. Het konijn durfde niet te beweren dat hij een speciaal model was, want hij wist niet dat konijnen echt bestaan; hij dacht dat alle konijnen met zaagsel gevuld waren, en dat zaagselvulling best wel ouderwets was en dat je er in de moderne kringen beter niet over kon praten. Zelfs Timothy, de houten leeuw die gemaakt was met scharnieren van uit elkaar gehaalde tinnen soldaten, en eigenlijk ruimdenkender moeten zijn, deed zich beter voor dan hij was en deed alsof hij connecties had bij de Regering. Het arme Konijn voelde zich maar erg onbelangrijk en gewoontjes in hun midden, en de enige die aardig tegen hem deed, was het Kale Paard.
Het Kale Paard had langer in de kinderkamer geleefd dan alle anderen. Hij was zo oud dat zijn bruine vel uit lapjes bestond waaronder de stiksels zichtbaar waren, en de meeste haren uit zijn staart waren uitgetrokken om een streng manen aaneen te rijgen. Hij was wijs, want hij had een lange stoet van mechanische speelgoedjes zien komen en gaan, eeuwig pochend en snoevend, en stuk voor stuk hun vering kapot zien gaan en hen zien verdwijnen, en hij wist dat ze slechts speelgoedjes waren, en nooit in iets anders zouden veranderen. Want kinderkamermagie is erg vreemd en wonderbaarlijk, en alleen die speelbeesten die oud en wijs en ervaren waren zoals het Kale Paard begrijpen dat soort dingen.
'Wat is ECHT?', vroeg het Konijn op een dag, terwijl ze samen langs de kant van de kinderkamer lagen, voordat Nanny kwam om de kamer op te ruimen. 'Betekent het iets in je hebben dat zoemt en een hendel die uit je steekt?'
“Echt” is niet hoe je bent gemaakt', zei het Kale Paard. 'Het is iets dat je overkomt. Als een kind erg, erg lang van je houdt, en niet alleen om met je te spelen, maar ECHT van je houdt, dan wordt je pas Echt.'
'Doet het pijn?', vroeg het Konijn.
'Soms', zei het Kale Paard, want hij was altijd oprecht. 'Als je Echt bent, vindt je pijn niet erg'.
'Gebeurt het in één keer, zoals mechanisch opgewonden worden', vroeg hij, 'of beetje bij beetje ?'
'Het gebeurt niet allemaal in één keer', zei het Kale Paard. 'Je wordt het. Het duurt erg lang. Daarom gebeurt het niet vaak met speelgoedjes die makkelijk kapot gaan, of scherpe randen hebben, of die voorzichtig bewaard moeten worden. In het algemeen, tegen de tijd dat je Echt bent, is het grootste deel van je haar eraf geknuffeld, zijn je ogen uitgevallen, sta je wankel in je scharnieren en zie je er erg aftands uit. Maar dat geeft allemaal niet, want als je eenmaal Echt bent kun je niet lelijk zijn, behalve voor mensen die het niet begrijpen'.
'Ik neem aan dat jij echt bent?', zei het Konijn. En toen wenste hij dat hij het niet had gezegd, want hij dacht dat het Kale Paard misschien erg gevoelig was. Maar het Kale Paard glimlachte slechts.
'De Oom van de Jongen heeft me Echt gemaakt', zei hij. 'Dat was een groot aantal jaren geleden; maar als je eenmaal Echt bent, kunt je niet meer Onecht worden. Je blijft altijd Echt'.
Het Konijn zuchtte. Hij dacht dat het erg lang zou duren voordat deze magie genaamd “ECHT” met hem zou kunnen gebeuren. Hij verlangde ernaar om “Echt” te zijn, te weten hoe het voelt; en tegelijkertijd vond hij het idee om aftands te worden en zijn ogen en snorharen te verliezen een beetje triest. Hij wenste dat hij “Echt” kon worden zonder dat al deze nare dingen met hem zouden gebeuren.
Er was een persoon die Nanny heette en die de kinderkamer verzorgde. Soms lette ze goed op de speeltjes die her en der over de vloer verspreid lagen, en soms, zonder duidelijke reden, veegde ze rond met haar bezem alsof een tornado door de kamer waaide, en propte hen in de kasten. Ze noemde dat “opruimen”, en de speeltjes haatten het, vooral de dunne speeltjes. Het Konijn vond het niet zo erg, want waar hij ook neer werd gesmeten, hij landde altijd zachtjes.
Op een avond, toen de Jongen naar bed ging, kon hij zijn Chinese speelgoedhondje dat altijd bij hem sliep niet vinden, Nanny had haast, en ze vond het te veel moeite om vlak voor bedtijd naar Chinese speelgoedhondjes te gaan zoeken, dus keek ze gewoon even om zich heen, en zag dat de speelgoedkast open stond, ze deed een graai.
'Hier', zei ze, 'neem je oude Konijn ! Hij zal ook lekker bij je slapen !' En ze sleurde het Konijn uit de kast aan één oor, en legde hem in de armen van de Jongen.
Die nacht, en vele nachten daarna, sliep het Fluwelen Konijn in het bed van de Jongen. Eerst vond hij het erg oncomfortabel, want de Jongen omhelsde hem erg strak, en soms rolde hij bovenop hem, en soms duwde hij hem zo ver onder het kussen dat het Konijn amper kon ademhalen. En hij miste ook die lange uren in het maanlicht in de kinderkamer, wanneer het hele huis stil was, en hij kon praten met het Kale Paard. Maar al erg gauw begon hij te wennen, want de Jongen praatte meestal met hem, en hij maakte leuke tunnels voor hem onder de bedlakens, waarvan hij zei dat ze op een echt leger leken waar echte konijnen in wonen. En ze deden prachtige spelletjes samen, fluisterend, wanneer Nanny was vertrokken om te gaan dineren en zij het nachtlampje had laten branden op de schoorsteenmantel. En wanneer de Jongen in slaap viel, kroop het Konijn lekker dicht onder zijn warme kin en zakte weg in dromenland, terwijl de hand van de Jongen hem de hele nacht omhelsde.
En zo verstreek de tijd, en het kleine Konijn was erg gelukkig – zo gelukkig dat hij niet eens merkte dat zijn prachtige fluwelen vacht steeds meer afgesleten raakte, en zijn staart los raakte, en al het rose op zijn neus vaal werd op de plek waar de Jongen hem had gekust.
De Lente kwam, en ze brachten lange dagen in de tuin door, want waar de Jongen ging, ging het Konijn mee. Hij mocht meerijden in de kruiwagen, en kreeg picnics op het grasgazon, en lieflijke elfenhutjes werden voor hem gebouwd onder de frambozen ranken achter het bloembordes. En op een keer, toen de Jongen plotseling werd weggeroepen om thee te gaan drinken, werd het Konijn achtergelaten op de laan tot laat na de schemering, en Nanny was hem komen zoeken met een kaars omdat de Jongen niet in slaap kon komen zonder hem. Hij was doorweekt door de dauw en best wel bemodderd vanwege het duiken in de holen die de Jongen voor hem in het bloembed had gemaakt, en Nanny mopperde terwijl ze hem afveegde met een hoekje van haar schort.
'Waarom moet je per se je oude Konijn hebben !', zei ze. ''Wat een gedoe voor een speelbeest!'
'Geef me mijn Konijn!', zei hij. 'Je moet niet zulke dingen zeggen. Hij is geen speelgoed. Hij is ECHT!'
Toen het kleine Konijn dat hoorde was hij gelukkig, want hij wist nu dat het toch waar was wat het Kale Paard had gezegd. De magie van de kinderkamer had hem betoverd, en hij was niet langer slechts een stuk speelgoed. Hij was Echt. De Jongen had het zelf gezegd.
Die nacht kon het Konijn van geluk bijna niet slapen, en hij voelde zoveel liefde in zijn met zaagsel gevulde hart dat het bijna uit elkaar barstte. En in zijn knoopoogjes, die al lang geleden hun glans hadden verloren, verscheen er een wijze en mooie uitdrukking, zodat het zelfs Nanny opviel de volgende ochtend toen ze hem opraapte, en zei 'Volgens mij heeft dat oude Konijn best een wijze uitdrukking op zijn snoet !'
Dat was een prachtige Zomer !

~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~

Vlakbij het huis waar ze woonden was er een bos, en tijdens de lange zomeravonden in juni ging de Jongen graag erheen na theetijd om er te spelen. Hij nam het Fluwelen Konijn met zich mee, en voordat hij wegwandelde om bloemen te gaan plukken, of struikrovertje te spelen tussen de bomen, maakte hij altijd een klein nest voor het Konijn tussen de varens, waar hij best comfortabel kon liggen, want hij was een liefdevolle kleine jongen en hij wilde graag dat het Konijn het goed had. Op een avond, terwijl het Konijn daar alleen lag en naar de mieren keek die heen en weer renden tussen zijn fluwelen poten in het gras, zag hij twee vreemde wezens uit de varens tevoorschijn komen vlakbij hem.
Ze waren konijnen, net als hij, maar erg donzig en gloednieuw. Ze moesten wel erg goed gemaakt zijn, want je kon hun naden helemaal niet zien, en ze veranderden op een wonderlijke manier van vorm wanneer ze bewogen; het ene moment waren ze lang en dun en het volgende moment waren ze dik en uitpuilend, in plaats van een constante vorm zoals hij zelf had. Hun pootjes tippelden zachtjes over de grond, en ze kropen best dichtbij hem, snuffelend met hun neuzen, terwijl het Konijn hard tuurde om te zien waar de opwindsleutel zich bevond in hun lijf, want hij wist dat diegenen die konden springen in het algemeen iets mechanisch in hun lijf hadden zoals een batterij en sleutel waarmee ze opgewonden konden worden. Maar hij kon het maar niet ontdekken. Ze waren samen blijkbaar een heel nieuw konijnenras.
Ze staarden hem aan, en het kleine Konijn staarde terug. En ze snuffelden de hele tijd.
'Waarom sta je niet op en kom je met ons spelen?', vroeg een van hen.
'Daar heb ik geen zin in', zei het Konijn, want hij wilde niet uitleggen dat hij geen batterij had.
'Ho', zei het donzige konijn. 'Het is zo makkelijk als wat'. En hij maakte een grote hop opzij en stond op z'n achterpoten.
'Ik geloof dat jij het niet kan!', zei hij.
'Ik kan het wel!', zei het kleine Konijn. 'Ik kan hoger springen dan wie dan ook'. Hij bedoelde die keren dat de Jongen hem in de lucht gooide, maar dat wilde hij natuurlijk niet zeggen.
'Kun je op je achterbenen hoppen?', vroeg het donzige konijn.
Dat was een lastige vraag, want het Fluwelen Konijn had helemaal geen achterbenen ! Zijn achterkant bestond uit één geheel, zoals een speldenkussen. Hij bleef stil tussen de varens liggen, en hoopte dat het andere konijn het niet zou merken.
'Ik wil niet!', zei hij opnieuw.
Maar wilde konijnen hebben erg scherpe ogen. En deze strekte zijn nek uit en keek.
'Hij heeft helemaal geen poten', riep hij uit. 'Hoe vind je dat nou, een konijn zonder achterpoten'. En hij begon te lachen.
'Ik heb ze wel!', riep het kleine Konijn. 'Ik heb achterpoten! Ik zit erop'.
'Strek ze dan uit en laat ze ons zien, zoals dit!', zei het wilde konijn. En hij begon rond te draaien en te dansen, totdat het kleine Konijn erg duizelig werd.
'Ik houd niet van dansen', zei hij. 'Ik zit liever gewoon stil'.
Maar eigenlijk verlangde hij er de hele tijd naar om te dansen, want een nieuw prikkelend gevoel stroomde door hem heen, en hij voelde dat hij er alles voor over zou hebben om rond te kunnen springen zoals deze konijnen deden.
Het onbekende konijn stopte met dansen, en kwam heel dichtbij. Deze keer kwam hij zo dichtbij dat zijn lange snorharen het oor van het Fluwelen Konijn kriebelde, en toen plooide zijn neus ineens en liet hij zijn oren plat liggen en maakte een sprong achteruit.
'Hij ruikt niet zoals het hoort!', riep hij uit. 'Hij is helemaal geen konijn! Hij is niet echt!'
'Ik ben wel Echt!', zei het kleine Konijn, 'Ik ben wel Echt!. De Jongen zegt dat ik Echt ben!' En hij begon bijna te huilen.
Op dat moment klonken er ineens voetstappen, en de Jongen rende vlak langs hen heen, en met een vliegensvlugge beweging schoten de twee onbekende konijnen weg.
'Kom terug en speel met mij!', riep het kleine Konijn. 'Oh, kom toch terug! Ik weet dat ik Echt ben!'
Maar hij kreeg geen antwoord, alleen de kleine mieren renden heen en weer, en de varens wiegden zacht na op de plekken waar de twee vreemdelingen hadden gezeten. Het Fluwelen Konijn was helemaal alleen.
'Oh jeetje!', dacht hij. 'Waarom renden ze zo hard weg? Waarom bleven ze niet stilstaan en met mij praten?'
Hij bleef nog lange tijd stil liggen, turend naar de varens, hopend dat ze terug zouden komen. Maar ze kwamen niet terug, en de zon begon te verdwijnen achter de horizon en kleine motjes fladderden uit, en de Jongen kwam eraan en droeg hem mee naar huis.

~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~

Weken gingen voorbij, en het kleine Konijn werd erg oud en afgesleten, maar de Jongen hield nog net zoveel van hem. Hij hield zoveel van hem dat hij alle snorharen eraf knuffelde, en de roze lijnen bij zijn oren grijs werden, en zijn bruine vlekken vervaagden. Hij begon zelfs zijn vorm te verliezen, en hij leek nog amper op een konijn, behalve voor de Jongen. Voor hem was hij altijd mooi, en dat was het enige belangrijke voor het kleine Konijn. Het kon hem niet schelen wat anderen van hem vonden, want de kinderkamermagie had hem Echt gemaakt, en als je Echt bent doet slijtage er niet toe.
En toen, op een dag, werd de Jongen ziek.
Zijn gezicht werd erg koortsig, en hij praatte in zijn slaap, en zijn kleine lichaam was zo warm dat hij het Konijn verbrandde terwijl hij hem beet hield.
Onbekende mensen liepen de kinderkamer in en uit, en de hele nacht brandde er licht en de hele tijd lag het Fluwelen Konijn daar, verborgen onder de bedlakens, en hij bewoog geen moment, want hij was bang dat als ze hem zouden vinden, ze hem weg zouden halen, en hij wist dat de Jongen hem nodig had.
Het was een vermoeiende tijd die lang duurde, want de Jongen was te ziek om te spelen, en het kleine Konijn vond het best wel saai om de hele dag niets te doen. Maar hij kroop geduldig dichtbij hem, en keek al uit naar de tijd dat de Jongen weer beter zou zijn, en dat ze samen de tuin in zouden gaan tussen alle bloemen en vlinders en dat ze leuke spelletjes zouden spelen in de frambozen struiken zoals ze dat altijd deden. Hij had allerlei heerlijke plannetjes bedacht, en terwijl de Jongen half sliep kroop hij op het kussen en fluisterde hem dat in zijn oor. En op een dag verdween de koorts, en de Jongen werd beter. Hij kon al rechtop zitten in bed en naar plaatjesboeken kijken, terwijl het kleine Konijn lekker dichtbij hem opgerold lag. Op een dag mocht hij weer opstaan en zich aankleden.
Het was een heldere, zonnige ochtend, en de ramen stonden wijd open. Ze hadden de Jongen naar het balkon gedragen, gewikkeld in een sjaal, en het kleine Konijn lag verward op bed tussen het beddegoed, en dacht na.
De Jongen zou morgen naar de kust gaan. Alles was voorbereid, en nu resteerde slechts het uitvoeren van de doktersvoorschriften. Ze bespraken alles met elkaar, terwijl het Konijn onder de bedlakens lag, slechts zijn hoofd stak er een beetje onderuit, en hij luisterde. De kamer moest gedesinfecteerd worden, en alle boeken en speelgoed waarmee de Jongen had gespeeld in bed moesten worden verbrand.
'Hoera!', dacht het kleine Konijn. 'Morgen gaan we naar de kust!' Want de Jongen had vaak over de kust verteld, en hij wilde erg graag de grote zeegolven zien binnenrollen, en de kleine krabben, en de zandkastelen.
Net op dat moment zag Nanny hem liggen.
'Wat doen we met dit oude Konijn?', vroeg ze.
'Dat?', zei de dokter. 'Dat ding bevat allerlei roodvonkbacteriën!—Verbrand het onmiddellijk. Wat? Onzin! Geef hem een nieuwe. Hij mag deze niet meer hebben!'
En zo belandde het kleine Konijn in een zak met oude plaatjesboeken en een hoop afval, en werd naar een plek achterin de tuin gebracht, achter de kippenren. Dat was een geschikte plek om een vuurtje te stoken, alleen had de tuinman het op dit moment te druk om het alvast te maken. Hij moest nog aardappelen rooien en groene bonen plukken, maar hij beloofde dat hij de volgende ochtend vroeg zou komen en alles zou verbranden.
Die nacht sliep de Jongen in een andere slaapkamer, en hij had een nieuw konijn dat bij hem sliep. Het was een prachtig konijn, met witte pluisjes en echte glazen ogen, maar de Jongen was te opgewonden om er veel aandacht aan te besteden. Want morgen zou hij naar de kust gaan, en dat op zich was zo'n wonderlijk iets dat hij nergens anders aan kon denken.
En terwijl de Jongen sliep en droomde van de kust, lag het kleine Konijn tussen de oude plaatjesboeken in de hoek achter de kippenren, en hij voelde zich erg eenzaam. De zak was een beetje losgeraakt, en door een beetje te wringen was hij in staat om zijn hoofd door de opening heen te wurmen en rond te kijken. Hij rilde een beetje, want hij was gewend om in een behoorlijk bed te slapen, en zijn vacht was inmiddels zo versleten van al het geknuffel, dat het hem niet meer kon beschermen. Hij kon vlakbij hem de frambozenstruiken zien, die groot en dicht op elkaar waren gegroeid zoals in een tropisch oerwoud, in de schaduw waarvan hij met de Jongen had gespeeld op voorbije dagen. Hij dacht aan die lange zonovergoten dagen in de tuin, hoe gelukkig ze waren, en hij werd erg bedroefd. Hij zag ieder uur weer voor de geest voorbijglijden, elke herinnering mooier dan de vorige, de elfenhutjes in het bloemperk, de stille ochtenden in het bos wanneer ze tusen de struiken lagen en de kleine mieren over zijn pootjes heen en weer renden; de prachtige dag toen hij voor het eerst wist dat hij Echt was. Hij dacht aan het Kale Paard, zo wijs en zachtmoedig, en aan alles dat het Paard hem had verteld. Wat heeft het voor zin om bemind te zijn en je schoonheid te verliezen en Echt te worden als het allemaal op deze manier eindigt? En een traan, een echte traan, druppelde langs zijn afgesleten fluwelen neus naar beneden en viel op de grond.
En toen gebeurde er iets vreemds. Want op de plek waar de traan was gevallen groeide er een bloem uit de grond, een mysterieuze bloem, die totaal niet leek op welke andere bloem dan ook in de tuin. Het had magere groene bladeren met de kleur van smaragd, en in het midden van de bladeren een bloesem als een gouden kelk. Het was zo mooi dat het kleine Konijn vergat te huilen, en gewoon bleef liggen kijken. En toen opende de kelk zich, en uit de kelk stapte een elfje.
Ze was zeker het lieflijkste elfje in de hele wereld. Haar jurk was gemaakt van parels en dauwdruppels en er zaten bloemen om haar nek en in haar haar, en haar gezicht was als een prachtige perfecte bloem. En ze kwam heel dichtbij het kleine Konijn en nam hem in haar armen en kuste hem op zijn fluwelen neus dat nog vochtig was van het huilen.
'Lief Konijntje', zei ze, 'weet je niet wie ik ben?'
Het Konijn keek haar aan, en het leek alsof hij haar gezicht eerder had gezien, maar hij kon maar niet bedenken waar.
'Ik ben de Kinderkamerelf', zei ze. 'Ik zorg voor alle speelgoedbeesten waar de kinderen van hebben gehouden. Als ze oud zijn en versleten, en de kinderen hebben ze niet meer nodig, dan kom ik en neem ze mee om terug te keren naar de “Echte Wereld”.
'Was ik eerst dan niet Echt?' vroeg het kleine Konijn.
'Je was Echt voor de Jongen', zei het Elfje, 'want hij hield van jou. Nu zal je Echt zijn voor iedereen.'
En ze hield het kleine Konijn stevig in haar armen en vloog met hem het bos in.
Het maanlicht scheen en verlichtte alles. En het bos was prachtig, en de bladeren van de varens leken wel van zilver door het maanlicht. Op een open plek in het bos tussen de boomwortels dansten de wilde konijnen met hun schaduw op het fluwelen gras, maar toen ze het Elfje zagen, stopten ze met dansen en gingen in een kring om haar heen staan en staarden haar aan.
'Ik heb een nieuw speelmaatje voor jullie meegebracht', zei het Elfje. 'Jullie moeten heel lief voor hem zijn en hem alles leren wat hij moet weten in Konijnenland, want hij zal eeuwig met jullie verder leven!'
En ze kuste het kleine Konijn weer en legde hem neer op het gras.
'Ga lekker rennen en spelen, lief Konijntje!', zei ze.
Maar het kleine Konijn bleef stil zitten en bewoog niet. Want toen hij al die wilde konijnen om zich heen zag dansen, herinnerde hij zich plotseling hun opmerking over zijn achterpoten, en hij wilde niet dat zij zagen dat hij slechts uit één stuk bestond. Hij wist niet dat toen het Elfje hem die laatste kus gaf, zij hem helemaal had veranderd. En hij was daar beslist nog een hele tijd blijven zitten, te verlegen om te bewegen, als iets hem niet had gejeukt aan zijn neus, en voordat hij wist wat hij aan het doen was, tilde hij automatisch zijn achterpoot op om zijn neus te krabben.
En hij ontdekte dat hij echte achterpoten had! In plaats van groezelig fluweel had hij een bruine vacht, zacht en glanzend, zijn oren konden bewegen, en zijn snorharen waren zo lang dat zij het gras aanraakten. Hij maakte een sprong en de vreugde die het hebben van zulke achterpoten hem gaf was zo groot dat hij het hele grasveld rondsprong, opzij springend en rondrollend zoals dat andere konijn deed, en hij was zo opgewonden dat toen hij eindelijk was bedaard en rustig kon zitten, het Elfje inmiddels was verdwenen.
Hij was eindelijk een Echt Konijn., thuis bij de andere konijnen.

~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~


De herfst ging voorbij, de winter ook, en in de lente, toen de dagen weer warm en zonnig werden, ging de Jongen naar buiten om in het bos achter het huis te spelen. En terwijl hij daar speelde, kropen twee konijnen onder de varens te voorschijn en piepten naar hem. Eentje ervan was helemaal bruin, maar de ander had vreemde tekens onder zijn vacht, alsof hij lang geleden gevlekt was geweest, en de vlekken nog steeds erdoorheen schenen. En zijn zachte kleine neus en zijn ronde zwarte ogen kwamen de Jongen erg bekend voor, zodat de Jongen bij zichzelf dacht :

'Moet je nou zien, hij lijkt sprekend op mijn oude Konijn die ik kwijt ben geraakt toen ik roodvonk had!'.

Maar hij is nooit te weten gekomen dat het in werkelijkheid zijn eigen oude Fluwelen Konijn was, die terug was gekeerd om het kind weer te zien dat hem als eerste had geholpen om Echt te zijn.