Er waren eens een weduwe en haar zoon, Jan. Ze leefden heel arm. Op een dag zei de vrouw: “Jan, we moeten onze koe verkopen. Breng jij hem naar de markt en zorg dat je er een goede prijs voor krijgt.”
Op weg naar de markt ontmoette Jan een man die hem overhaalde hem de koe te geven in ruil voor een handvol toverbonen.

Toen hij thuiskwam werd zijn moeder heel boos. Ze geloofde niet dat de toverbonen echt waren en smeet ze uit het raam. Toen stuurde ze Jan naar bed.

De volgende ochtend zag Jan dat er een gigantische bonestaak was gegroeid, precies waar zijn moeder de bonen had gegooid. Jan klom er in, hij wilde graag weten wat er helemaal bovenin te zien was.

Hij was heel verbaasd toen hij er een kasteel aantrof. Hier woonde een reus. Jan verstopte zich in een pot om te weten te komen wat voor reus dit was. Hij hoorde hem praten met zijn vrouw over zijn toverkip die gouden eieren legde. De reus vond dat de eieren heel mooi waren. Maar zo te horen was goud in zijn wereld niets waard. “Ik zou wel raad weten met die gouden eieren,” dacht Jan.

Hij kon niet uit zijn schuilplaats komen totdat de reus in slaap gevallen was. Toen greep hij de wonderkip, stopte haar onder zijn arm en rende het kasteel uit, zo hard als hij kon.

De volgende dag ging Jan weer naar het kasteel. Hij verstopte zich weer in de pot. Dit keer hoorde hij de reus praten over zijn wonderharp. Dankzij die harp werd elke wens vervuld. De reus wenste eten, drinken en af en toe wenste hij een mooi stuk huisraad voor zijn vrouw. Toen Jan dit hoorde, dacht hij: “Wat vraag jij weinig. Ik zou er wel raad mee weten. Ik zou vragen om wereldvrede, en welvaart voor iedereen en dat iedereen blij en gelukkig was. Ik zou alle zieken beter maken en niemand zou meer oud worden en doodgaan. En als het te vol dreigde te worden, zou ik gewoon vragen dat de aarde groter werd, groot genoeg voor alle mensen. Maar ik ben er zeker van dat de aarde groot genoeg is voor iedereen.”

Toen de reus weer in slaap gevallen was, pakte Jan de harp en rende terug naar de bonestaak. Maar dit keer werd de reus wakker. Hij achtervolgde Jan die snel en behendig de bonestaak afgleed.



Beneden gekomen greep Jan een bijl en kapte de bonestaak om. De reus zag hem dit doen en klom gauw weer naar boven. Nu was er geen verbinding meer tussen hun werelden.

Jan en zijn moeder en alle mensen leefden daarna eeuwig, gelukkig en voorspoedig, vooral dankzij de harp. Want in de nieuwe wereld die Jan zich wenste, waren gouden eieren alleen maar voor de sier en iedereen die ze wilde kon ze ook hebben.